kleine bijzondere mensen in de krijtlijnen van een land en zijn geschiedenis
“Diefstal - Abdulrazak Gurmah” ****
Deze eerste roman die ik van nobelprijswinnaar Gurmah lees is meteen een bijzondere ervaring. Je zou ze bijna intiem kunnen noemen, omdat de personages al snel heel close voelen, zo vertrouwd in al hun eigenschappen, en tegelijk liep ik rond in een wereld die me nauwelijks bekend was. Natuurlijk ben ik op de hoogte van het kolonialisme, maar de zeer concrete en complexe geschiedenis van Tanzania was me niet bekend.
Gurmah schrijft geen politiek boek, hij schrijft over de geschiedenis van kleine, gewone mensen in een door conflicten getekend land. Van beide zie je de littekens, van het land en van zijn bewoners. Maar ook de schoonheid.
Voor het overgrote deel verloopt de roman langzaam, meanderend. Gurmah beschrijft tot in de kleinste details, heel zintuiglijk. Hij is tegelijk observator en meester-verteller. Hij neemt zijn tijd en hij neemt je mee doorheen de kleine levens van zijn personages om via hen een beeld te schetsen van het land dat hij zelf is ontvlucht. Een land op een kruispunt van zijn eigen oude en rijke geschiedenis, de Britse overheersing, de onafhankelijkheid, de verscheurdheid en wat de nieuwe tijd meebrengt aan modernisering, toerisme, het verlangen naar een beter leven, de droom naar ontplooiing.
Daarnaast is er het lot. En hoe je omgaat met dat lot.
Hoe vrij zijn de keuzes die je in je leven maakt? Ze zijn complex en vanuit meerdere standpunten te benaderen. Gurnah vertelt. Hij oordeelt niet. Zijn stem klinkt menselijk, teder, vol mededogen. Intussen is zijn analyse helder en scherp.
Drie jonge mensen worden door dat lot samengebracht.
Karim, die als jongetje door zijn moeder bij de grootouders wordt achtergelaten, nadat ze eerst al bij zijn vader is weggegaan. Hij vindt een tweede thuis bij zijn halfbroer en schoonzus. Later, als hij in Dar es Salaam verder studeert, komt er opnieuw toenadering met zijn moeder, die hertrouwd is met Haji, een apotheker. Bij hen ontmoet hij Badar, die daar aangenomen is als hulp in huis. De jongen trekt hem aan, hij ziet niet de slaafsheid in hem die je van hulpjes zou verwachten. Omdat hij kansen in hem ziet, spoort hij hem aan iets van zijn leven te maken zoals hij, maar koestert zich ook in Badars bewondering en later in zijn dankbaarheid.
Badar is opgevoed door pleegouders. Van zijn echte vader heeft hij alleen een naam. Zijn stiefvader stuurt hem als tiener naar het huis van Haji’s vader om daar te werken. De oude man, waar hij niet van weet dat het familie is, mag hem duidelijk niet. Maar er is mevrouw, die vriendelijk is, en de oude tuinman Juma. En later is er Karim, die er af en toe op bezoek komt en zijn gezelschap op prijs lijkt te stellen.
Als Badar door de oude man onterecht van diefstal wordt beschuldigd, neemt Karim, inmiddels getrouwd met Fauzia, hem mee naar zijn huis en vindt hij een baantje voor hem in een boetiekhotel.
Opnieuw komt Badar in een nieuw leven terecht waar hij niet zelf voor gekozen heeft, maar hij past zich aan, hij leert snel.
En hij is gelukkig met de twee mensen die hij graag ziet: Karim en Fauzia.
Fauzia is een jonge intelligente en ambitieuze vrouw. Als kind had ze epilepsieaanvallen, maar die lijkt ze te zijn ontgroeid. De angst ervoor blijft aanwezig, zeker als zij en Karim aan kinderen willen beginnen. Is het erfelijk? Baby Nasra verandert alles. In de liefde, die begon als een sprookje, komen barsten.
Badar woont intussen op zichzelf en droomt zijn stille dromen.
Met lede ogen ziet hij Karim grimmiger worden, ongeduldiger. Komt het door het veeleisende werk? Is het de baby die Fauzia opslokt, is het haar vermoeidheid? Is het Badar zelf die Karim in zijn verwachtingen van hem heeft teleurgesteld? Steeds vaker krimpt hij in elkaar onder diens minachtende opmerkingen, maar hij vergoelijkt. Karim heeft hem uit de nood geholpen. Hij houdt van hem. Hij is dankbaar.
Fauzia’s glimlach, die als kind al iets volwassens had, wordt nog ouder, triester, matter.
En Badar doet wat hij kan. Een stille, rustige, vriendelijke aanwezigheid.
In het derde deel brengt een hotelgast, een Britse vrijwilligster, het leven van de drie in een stroomversnelling. Jerry Bruna staat symbool voor de verandering, de nieuwe wind die het land binnenkomt en die oude waarden doet sneuvelen.
Maar ‘kun je de schorpioen verwijten dat hij steekt?’
En: ‘We zijn uit eigen beweging schaamteloos geworden.’
De onderlinge verhoudingen van Karim, Fauzia en Badar veranderen. Karaktertrekken worden scherper als het vernisje afschilfert. Daaronder gapen de oude wonden die hen gevormd hebben. Die hen gemaakt hebben tot wie ze zijn. Maar mag, kun je je daar achter blijven verschuilen om niet je eigen verantwoordelijkheid te nemen?
Hoe determinerend is je geschiedenis?
Gurnah schrijft rustig, mooi proza, zonder gezochte literaire hoogstandjes. Maar het heeft iets bezwerends en tegelijk koestert het, biedt het geborgenheid.
Synopsis
Drie jonge mensen uit Zanzibar ontdekken wat het betekent om hun lot in eigen hand te nemen in een snel moderniserende wereld, waarbij zich ook de erfenis van decennia Brits en Arabisch kolonialisme doet gelden.