Het verschrikkelijke gewicht van levens vol gaten
“Witte nachten - Urszula Honek” ****
De mensen in het kleine Poolse dorp bij de heuvel houden niet van plekken zonder huizen.
Het is te eenzaam waar niemand woont.
Ze houden ook niet van de stilte, die is ‘alsof je in je eigen graf ligt’. Of van het donker, waar je nooit weet welke schaduwen je achtervolgen.
Bij je geboorte ligt de dood al naast je in je wieg. Soms voel je van jongs af hoe hij je hand vasthoudt. Hoe hij trekt. Misschien zijn het de andere doden die roepen waar je blijft? Je ziet jezelf in je kist liggen. Als je geluk hebt, zie je ze jaar na jaar groter worden.
Hoewel, er zijn er die zeggen ‘Ik heb het leven niet lief.’ Ongetwijfeld is het leven niet lief met hen geweest. Het leven. De mannen. Het nest waar je uit komt. Je moeder die je achterliet.
De bliksem. Oh, die inslaande bliksem die niemand kan vergeten.
Er zijn er die dus liever met stenen in hun jurk het water in lopen, tot aan hun nek, en kwaad worden op degene die hen redt.
Anderen oefenen met lussen leggen in een touw. Als je het overweegt, moet je eerst leren dansen op je tenen, en al dansend op je tenen de knoop leggen, tot je al bijna loskomt van de grond, want als je voeten de grond eenmaal opnieuw raken, willen ze toch weer verder lopen.
Natuurlijk zijn er ook de dromers.
Van beter werk dat minder labeur is, van een lichtere toekomst, van studeren in de stad, van boeken over een mooiere wereld.
Of ‘van ogen zo lichtgroen als het water in een schone rivier’;bij voorbeeld.
Als ‘je hart dan voor die man uit je borst glipt, moet je op zoek naar dat hart.’
Maar de man is weggegaan. Waar zijn die lichtgroene ogen toch gebleven?
Dromen komen en gaan.
Mannen komen en gaan, vrouwen zoeken hen en mannen zoeken de vrouwen, ze komen en gaan en verdwijnen eindeloos.
Dat is de hel. Dat ze je tot in je dood die lichtgroene ogen zult laten zien.
De gekte in je kop, de rusteloosheid in je lijf.
Een somber boek, zwaar als het leven dat zich doorheen de jaren en de seizoenen sleept.
Honek laat geen ruimte voor hoop. Haar zinnen doordrenkt van lyrisch lijden.
De structuur helpt niet evenmin om het geheel lichter te maken. Op zich staande verhalen die geleidelijk met elkaar verweven raken, maar de auteur springt van personage naar personage, van tijdspanne naar tijdspanne. Misschien denkt ze ‘Zoek het maar uit’ of ‘Het doet er ook niet toe’, misschien is alles inwisselbaar, de mensen en het lot, ontkomen aan de dood doet niemand.
Het vraagt concentratie om te lezen, ook door de vele personages. Ik raak ze steeds weer kwijt, ik begin te verdwalen en kan toch niet stoppen met verder te lezen.
En hoe verder ik lees, hoe bevreemdender, hoe meer ik vervreemd van hen, alsof het al geen levende mensen meer zijn en ik dwaal in een dorp van louter geesten.