De tijd van het geweten
“Hemellichamen aan de uiterste rand van de wereld - Jón Kalman Stefánsson” *****
Als dominee Pétur in 1615 in Brúnisandor aankomt, dat aan het eind van de wereld ligt, zijn de verhalen over hem hem al vooruit gesneld. En zoals dat met verhalen gaat worden ze van mond tot mond aangedikt, maar waar rook is is vuur en dat zegt Pétur ook zelf. Hij zou niet liever willen dan te leven als een vroom man, maar hij zit met ‘een hart dat de neiging heeft op een dorre houtstapel te lijken die bij een blik, een glimlach, een gebaar kan ontbranden.’ Dat zit in zijn genen en zijn geest is helaas zwakker dan zijn niet zo standvastige goede wil. Hoeveel hij ook bidt.
Maar los van zijn persoonlijke beslommeringen worstelt hij nu ook met een veel grotere duisternis. De koning heeft een bevel uitgevaardigd om de Spanjolen, de vreemdelingen, te vermoorden. Nadat hun schepen verwoest zijn door het pakijs en ze gedwongen waren de winter in IJsland te blijven, hebben ze tegen de wet in op walvissen gejaagd, ze hebben geroofd, vrouwen onteerd, geweld gepleegd. Dat wordt gezegd. Maar er wordt veel gezegd en het is niet altijd de waarheid, die altijd twee kanten heeft. Waarheid en macht gaan trouwens zelden goed samen.
‘Macht heeft geen vrienden, alleen meelopers en vijanden. Hielenlikkers of tegenstanders.’
En nu zijn de wapens dus gewet.
Het klinkt als een vloek die keer op keer bezworen moet worden.
Wat moet Pétur doen?
Wat kan hij doen?
Wat zal hij doen?
Om zowel de Spanjaarden te redden als de zielen die hem zijn toevertrouwd en die geen moordenaars mogen worden.
‘Schrijf’, zegt Dórothea, de huishoudster die is als een standvastige berg. Zo wijs is ze, en Pétur moet zich niet dom voordoen, daar kan ze niet tegen.
‘Schrijf alles’, zegt ze.
Wat is alles?
En ja, het verhaal dreigt zich te verliezen in te veel namen, te veel details, te veel uitweidingen die de spanningsboog laten verslappen.
En ja, bij momenten ergerde ik me eraan.
Maar als een meester-verteller als Stefánsson zich hieraan bezondigt, moeten we dan in plaats van snel een oordeel klaar te hebben ons niet veeleer afvragen of het misschien een bewuste keuze was? Dat het betekenis heeft?
De waarheid vertellen vraagt tijd, zelfs als die dringt. Waarschijnlijk zeker dan.
Om tot inzicht te komen en impulsieve beslissingen te vermijden, zeker in zo een complexe zaak. De wereldlijke macht kan zeggen ‘God is met ons’ en ‘zondigen mag niet straffeloos blijven’, maar in de Bijbel staat ‘Heb uw naaste lief zoals uzelf’, ‘vergeef elkaar’ en ‘wat ge aan de geringsten van de mijnen doet, doet ge aan Mij’.
Wat is goed en wat is fout?
De waarheid vertellen vraagt moed. En Pétur is doodsbang voor wat iedereen te wachten staat, de mensen voor wie hij verantwoordelijk is, de mensen die hij liefheeft, de Spanjaarden die door de geliefden thuis zullen worden gemist.
De zwaarden zijn gewet, het is alleen nog wachten tot het noodweer gaat liggen.
‘Vertel alles’, zegt Dórothea, niet één keer, maar keer op keer. ‘Laat u leiden door uw pen.’
En daarom kan Pétur het evenmin nalaten om ook geringste leven te vermelden zodat het, als het straks misschien sterft, niet in de duisternis zal vergeten worden.
Alleen de Heer zal oordelen op de jongste dag.
En je bent opgelucht dat Pétur je adempauzes geeft, want zonder zou je het niet redden. Zou je wellicht willen weglopen.
De angst heeft bezit van je genomen.
De zwaarden zijn gewet.
En de tijd dringt en de tijd wordt door het noodweer uitgeveegd.
En dan komt de duisternis, en die wordt zo beschreven dat je als lezer al je gespaarde adem nodig hebt.
En nu het gebeurd is, is Pétur nog banger dan voorheen.
Om de waarheid te schrijven die tegen de macht ingaat.
‘Wat moet er van ons worden zonder gerechtigheid?’
En zonder mededogen?
En wat als je door mededogen met de doden de levenden in de steek laat?
Waar is je verantwoordelijkheid?
‘Is de waarheid belangrijker dan de liefde?’
Wat is de prijs die je betaalt? Tot en met het leven van anderen dat je is toevertrouwd en dat van jezelf.
‘Niets mag dromen verstikken. Maar misschien zijn we totaal vergeten het leven dat te laten weten.’
En intussen schudt en davert de wereld onder nieuwe ontdekkingen. Coppernicus. Galileo Galileo. Telescopen laten tot in de hemel kijken, wat God tot dan had verhuld.
‘Wie wil er geen grotere wereld?’
Wat is de waarheid?
Wat moet hij doen?
Wat kan hij doen?
Wat zal hij doen?
‘Hij die de waarheid niet dient als hij ertoe geroepen wordt, maar er zich van afkeert, wat voor een man is dat?’
En dan schieten Bob Dylan en Pete Seger mij te binnen:
‘And it’s a hard rain’s a-gonna fall
And what’ll you do now, my blue-eyed son?’
En het antwoord:
‘I’ll stand on the ocean until I start sinkin’
But I’ll know my song well before I start singing’
En dat vraagt tijd, tijd en moed,
En misschien vergoelijk ik de meester-verteller, want dat is wat liefde doet, maar ik denk het niet.
Zo dom zou Dórothea Pétur niet laten zijn.
‘Schrijven is noodzaak, niet dat wij behagen.’
En hij schrijft, want de waarheid mag je niet begraven, al moet je soms, al kun je niet anders.
Maar over vierhonderd jaar struikelt misschien iemand over een vingerwijzing.
Misschien gaat hij dan graven, want wat is er sindsdien veranderd? Hooguit de plaatsen en de seizoenen en de namen.
En dan begrijp je wellicht waarom het zo lang moest duren, want niets van de geschiedenis mag vergeten worden,
ook jij niet,
Liefje.
Een schitterende roman, historisch en actueel, wijs en inspirerend, in een taal die aan poëzie grenst, in de kleinste tederheid en zelfs in de wreedste beschrijvingen.
Synopsis
Een dominee in 17e-eeuws IJsland beschrijft in een lange brief zijn leven en gaat onder andere in op een conflict met de vertegenwoordiger van de Deense kroon, die enkele gestrande Spaanse vissers wil vermoorden.