Leda komt haar overleden moeder tweemaal tegen in de gedaante van een andere vrouw
Leda Miller. Acht was ze, toen ze haar beide ouders verloor in een auto-ongeluk. Ze was de enige van de drie kinderen die toen mee in de wagen zat. Nu, dertig jaar later, dringen er zich herinneringen op aan haar ouders en dan vooral aan haar moeder.
Zo komt Leda haar in enkele maanden tijd tweemaal tegen in de gedaante van een andere vrouw. De eerste is de jonge Virginia Woolf zoals ze afgebeeld staat op de cover van een boek dat Leda in handen krijgt. De tweede keer gaat het om een vrouw die met de fiets gevallen is en naar het ziekenhuis gebracht wordt. Buiten het medeweten van de weggevoerde vrouw haalt Leda haar huissleutel uit haar fietstas, spoort haar adres op en rijdt naar de woning in kwestie.
Wanneer ze bijna op haar bestemming is, verspert een man de weg. Hij is een dode haas in zijn auto aan het laden. Mats, zo heet hij. Hij is boswachter. Of ze verdwaald is? Nee, antwoordt ze, ik ben er bijna. ‘Hier in de buurt is alleen het huis van mevrouw Meijerink’ weet hij. Ze kijken elkaar even zwijgend aan, waarop hij zegt dat ze op haar lijkt, maar dat hij helemaal niet wist dat ze een dochter had. Gaat Leda open kaart spelen? En wat brengt haar verblijf als inbreekster in het boshuis van deze Eva Meijerink haar?
Warme, ritmisch meanderende beschrijvingen cirkelen samen met Leda’s gedachtespinsels (ze studeerde filosofie) rond haar doen en laten. De sfeer van het boek doet je iets goeds verwachten, iets wat ingaat tegen het permanente gevoel van thuisloosheid waar Leda sinds de dood van haar ouders mee worstelt.